De mooiste Vincent van Gogh souvenirs. Heel leuk cadeautje voor de feestdagen. Voor 12.00 uur besteld is dezelfde dag verzonden

   

   

   

   

Van Gogh werd geboren in het Brabantse Zundert, een dorpje vlak bij de Belgische grens, als zoon van de predikant Theodorus van Gogh (1822-1885) en Anna Cornelia Carbentus (1819-1907), dochter van een Haagse boekbinder. Precies een jaar voor zijn geboorte hadden zij ook al een zoon gekregen die zij Vincent noemden, hoewel hij doodgeboren was. Na Vincent volgden nog drie zussen en twee broers: Anna, Theo, Willemien (Wil), Elizabeth (Lies) en Cor. Theo werd vier jaar na Vincent geboren. Theo zou Vincent erg ondersteunen in zijn latere leven. Regelmatig wandelde het hele gezin in de omgeving van Zundert, waardoor de basis werd gelegd voor Vincents liefde voor de natuur.

Als kind was Vincent een zwijgzame, enigszins in zichzelf gekeerde jongen. Van januari tot oktober 1861 bezocht hij de dorpsschool, maar het jaar daarop werd hij alweer van school gehaald en kreeg hij thuisonderwijs. Volgens zijn blijkbaar toch iets arrogante ouders zou hij door de omgang met de dorpskinderen op de dorpsschool te onbehouwen worden. Binnen de beslotenheid van de pastorie kreeg hij de volgende drie jaar les van zijn vader en gouvernante Anna Birnie. Per 1 oktober 1864 ging Vincent naar de kostschool van meester Jan Provily in Zevenbergen waar hij twee jaar verbleef, tot augustus 1866. Hij had het er niet naar zijn zin, maar maakte er wel de lagere school af. Hij leerde er Frans, Engels en Duits. Hij tekende er af en toe, maar van enige artistieke aanleg was er opmerkelijk genoeg nog niets te merken.

Op 15 september 1866 werd hij ingeschreven aan de Rijks HBS Koning Willem II te Tilburg gevestigd in het voormalige paleis van Koning Willem II en het huidige Paleis-Raadhuis van Tilburg, waar hij tekenles kreeg van de schilder Constant Cornelis Huijsmans (1810-1886). Huijsmans stond bekend als een uitstekend tekenleraar, maar toch sprak Vincent later met geen woord over diens tekenlessen. Vincent vond een kosthuis bij de familie Hannik aan de Korvel 57. Vincent had gevoel voor talen en presteerde goed. In het tweede jaar werd hij weer van school gehaald; de reden is onbekend, mogelijk kon zijn vader de school niet betalen. Hij keerde terug naar het ouderlijk huis in Zundert. Wat hij in de daaropvolgende periode deed, is niet bekend.

Op zijn zestiende werd Vincent jongste bediende bij het Haagse filiaal van de internationale kunsthandel Goupil & Cie op de Plaats. Oorspronkelijk was dit de kunsthandel van zijn oom Vincent van Gogh (vaak genoemd als 'Oom Cent'), die vervolgens partner was geworden van de kunsthandel Goupil in Parijs. In september 1872 begon Vincent te corresponderen met zijn jongere broer Theo. Deze correspondentie zou hij zijn hele leven volhouden en vormt een bron van informatie over Van Goghs leven en zijn artistieke ontwikkeling. Op voorspraak van zijn oom kwam Theo per 1 januari 1873 ook in dienst van Goupil & Cie, in het filiaal te Brussel. In juni van dat jaar werd Vincent overgeplaatst naar het filiaal in Londen. Hij woonde in Londen bij de hospita Ursula Loyer op Hackford Road 87. Begin 2019 werden tijdens een renovatie van deze woning verborgen documenten en een gebedenboek gevonden uit de periode van het verblijf van Vincent Van Gogh.

In Londen bezocht Vincent in zijn vrije tijd beroemde musea, zoals het British Museum en The National Gallery. Daar bewonderde hij onder andere werk van boerenschilders als François Millet en Jules Breton. Verder las hij van alles, van museumgidsen en tijdschriften tot literatuur en poëzie. Hij werd verliefd op Eugénie Loyer, de dochter van zijn hospita, maar ze was al verloofd met een andere kostganger. Vincent maakte een depressieve periode door.

In 1873 was hij korte tijd werkzaam op het hoofdkantoor in Parijs, en vervolgens weer op het filiaal te Londen. In 1874 werkte Vincent nogmaals korte tijd op het hoofdkantoor. Hij bezocht in Parijs musea en kunstgalerijen en maakte er kennis met de poëtische boerentaferelen van Jean-François Millet en de realistische plattelandstaferelen van Jules Breton. Zijn depressie hield aan, zijn belangstelling voor de kunsthandel verflauwde en per 1 april 1876 werd hij ontslagen. Zijn oom Vincent was diep teleurgesteld in zijn neef en trok zijn handen van hem af. Dit zal een grote klap voor de hele familie zijn geweest. Vincent werd onderwijzer in Ramsgate en vervolgens onderwijzer aan een kostschool en hulpprediker bij een methodistische dominee in Isleworth. Op 4 november hield hij zijn eerste preek. Geloof werd steeds belangrijker voor Vincent; hij ambieerde eigenlijk een baan als predikant en werd als assistent aangenomen bij de Congregational Church van Turnham Green, waar hij les ging geven op een zondagsschool. Hoewel zijn aandacht voor religieuze en spirituele problematiek in deze periode domineert, blijft hij zich tevens voor de schilderkunst interesseren. Hij bezoekt o.a. Hampton Court om de schilderijen van Hans Holbein, Rembrandt van Rijn en de Italianen uit de renaissance in de koninklijke collecties te bewonderen.

Tijdens een kerstvakantie in Etten werd besloten dat deze werkzaamheden in Engeland te weinig toekomstperspectief boden. In januari 1877 begon hij als verkoper in een boekhandel te Dordrecht. Dit duurde maar kort, en in mei verhuisde hij naar Amsterdam om zich voor te bereiden op het staatsexamen, dat hem toegang zou verschaffen tot de studie theologie. Tussen mei 1877 en juli 1878 verbleef hij in het Poortgebouw op het Marineterrein bij zijn oom Johannes van Gogh, die daar commandant was van de Amsterdamse marinewerf. Mooi om te zien dat de familie elkaar zo goed ondersteunde.   Vincent haakte in 1878 af, zonder staatsexamen te hebben gedaan, onder meer te wijten aan zijn desinteresse in de Latijnse en Griekse taal. Daarnaast bevredigde de zuiver theoretische dimensie, waartoe een dergelijke studie hem dwong, niet. Hij volgde een korte opleiding op een zendelingenschool te Laken bij Brussel.

Borinage

Ruïnes (2013) van de Charbonnages de Marcasse

Huis waar Vincent van Gogh verbleef in Wasmes. Gerestaureerd in 2015.

In december 1878 werd Van Gogh naar Petit-Wasmes in de Borinage (Henegouwen) gestuurd, waar hij op 1 februari 1879 aan een proefperiode als lekenprediker tussen de mijnwerkers begon. Hij werkte er in bittere armoede en was depressief. Deze crises zouden het verder verloop van zijn leven bepalen. Hij woonde in een barak en sliep op stro. Hij voelde de ontberingen van de mijnwerkers diep aan en werd getroffen door hun 'koortsige, vermoeide en uitgemergelde' uiterlijk en hun 'door vermoeidheid uitgeholde gezichten en vroegtijdige veroudering'. Hij wilde zich met hen vereenzelvigen en in april 1879 daalde hij af in een kolenmijn van de Charbonnage de Marcasse tot op 700 meter diepte. Toch bleef hij, zelfs al had hij slachtoffers van een mijngasontploffing verpleegd, voor hen maar een buitenstaander, iemand die in beperkte mate ontberingen vrijwillig ondergaat is toch niet hetzelfde als iemand die geen andere keus heeft.

In de zomer van 1879 kreeg hij een waterverfdoos opgestuurd door zijn vroegere overste bij Goupil & Co in Den Haag. Hiermee bewerkte hij een eerdere potloodtekening van de cokesfabriek in Flénu waarop hij de kleuren met potlood had aangeduid.

Eveneens in 1879 werd hij na zes maanden afgewezen als lekenpredikant door de protestantse gemeenschap in Petit-Wasmes omdat hij te fanatiek en te moeilijk in de omgang was. Dit is toch wel een rode draad in het leven van Vincent, het was blijkbaar geen aimabel persoon.  In augustus van dat jaar ging hij te voet naar Brussel om raad te vragen aan dominee Abraham van der Waeyen Pieterszen. Daarna probeerde hij het als Bijbelcolporteur in Pâturages en legde hij ziekenbezoeken af in Wasmes.

Ten slotte was hij ten einde raad en zijn familie was diep teleurgesteld in hem. Het idee begon te rijpen dat hij zijn zoektocht naar kennis van God kon ombuigen in een zoektocht naar zelfkennis. Hij voelde dat hij toch ergens goed voor was en wilde ontsnappen uit deze ellendige periode. Hij las veel in het Frans, onder meer Les temps difficiles (Parijs, 1869) door Charles Dickens, L'Imitation de Jésus Christ van Thomas a Kempis, William Shakespeare (Parijs, 1864) door Victor Hugo; in het Engels las hij The Pilgrim's Progress (Londen, 1877) door John Bunyan en Uncle Tom's Cabin (Londen, 1852) door Harriet Beecher Stowe. Dergelijke lectuur toont duidelijk aan dat hij intellectueel op een hoog peil stond en zijn talen zeer goed beheerste.

Tijdens de periode in de Borinage voelde hij dat hij een kunstenaarsroeping kon hebben. Hij leerde, als autodidact, het tekenen aan de hand van handboeken over perspectief en anatomie, zoals die van Armand Cassagne (Traité d'Aquarelle (1875), Traité pratique de perspective (1866) en Éléments de perspective) en twee tekencursussen door Charles Bargue. Hij maakte veel expressieve en eigenzinnige, maar toch wat stuntelige, schetsen en tekeningen van het buitenleven, mijnwerkers en mensen van eenvoudige komaf. Hierbij liet hij zich inspireren door meesters als Rembrandt en Millet, van wie hij tijdschriften met kopieën had gekregen van zijn broer Theo, zoals De maaier met sikkel (1880) (collectie van museum in Japan).

De Spitters (naar Millet) (1880)

In de zomer van 1880 maakte hij een voettocht van 70 kilometer van Cuesmes naar het Noord-Franse Courrières. Hij wilde er de barbizonschilder Jules Breton ontmoeten om er zijn tekeningen te tonen, maar toen hij voor zijn deur stond durfde hij niet aan te kloppen. Op de terugweg zag hij mooie "weversdorpen", een motief dat later vaak zou terugkomen in zijn werken. Hierna beschouwde hij de meeste van zijn tekeningen als mislukt en gooide ze weg. Hierdoor zijn er niet veel werken uit deze periode overgebleven. Nooit zou hij weten hoe wardevol deze schilderijen later zouden zijn geworden. De Spitters (naar Millet) (collectie van de stad Bergen) is een van de weinige tekeningen die uit die tijd bewaard zijn gebleven. Een ander werk is de houtskooltekening Maison Magros, geschonken aan Charles Decrucq, zijn huisbaas in Cuesmes bij wie hij drie maanden woonde (nu in het National Gallery of Art, Washington).

Uiteindelijk koos Vincent in augustus 1880 definitief voor het kunstenaarschap, vermoedelijk op aanraden van zijn broer Theo, die hem sinds maart van dat jaar regelmatig financieel ondersteunde.

Brussel

In oktober 1880 verhuisde Van Gogh naar een atelier in Brussel. In november schreef hij zich in aan de Académie Royale des Beaux Arts voor de studie "tekenen naar gipsen afgietsels van antieke beelden" van de historie- en genreschilder Joseph van Severdonck, maar het werd een onbevredigende ervaring. In december nam hij deel aan een examen, maar werd als laatste gerangschikt. Mogelijk werd hij niet verder toegelaten of hield hij er spoedig mee op. In elk geval nam hij niet meer deel aan het volgend examen, in februari 1881. Hij had heel slechte herinneringen aan deze leraar. Hij achtte hem en Joseph Stallaert (een andere leraar) "geen dubbeltje waard" en hij wilde over deze hele academie "geen syllabe meer horen of zeggen".[4] Toch had deze opleiding gevolgen voor zijn verdere vorming; hij had nu een idee van hoe het er in de kunstwereld aan toeging. Hij begon zichzelf als avant-gardist te beschouwen en hield een wrang gevoel over aan de Academie, het kunstonderwijs en kunst in het algemeen.

Door een introductie van zijn jongere broer Theo raakte hij bevriend met de jonge schilder Anthon van Rappard, die al een opleiding had gevolgd aan de Rijksacademie in Amsterdam, aan de kunstacademie van Brussel en in het atelier van Jean-Léon Gérôme in Parijs. Zij werkten tezamen in Rappards atelier in Sint-Joost-ten-Node en maakten schetsen in de omgeving. Hoewel Van Gogh veel van Rappard opstak, kan men toch niet spreken van een meester-leerlingrelatie. Toch zou het gebruik van de vele streepjes in het werk van Van Rappard in het latere werk van Van Gogh doorslaggevend zijn. Uiteindelijk hadden ze bittere uiteenzettingen over de academische techniek. Toch zouden ze nog vele jaren bevriend blijven. Van Gogh kreeg nu ook geld van Theo. Hij volgde begin 1881 korte tijd lessen in perspectief. Hoewel Van Gogh de naam van zijn leraar niet vermeldt, neemt men aan dat het de Nederlands-Belgische schilder Adriaan-Jan Madiol betreft. In elk geval, Van Gogh kende deze kunstenaar en had waardering voor zijn werk. Hij vroeg zelfs aan zijn broer Theo om deze schilder aan te bevelen bij het Salon van Brussel. In een van zijn brieven is hij lovend over een schilderij dat hij bij Madiol thuis gezien had.

Van Goghs explosieve karakter maakte hem spoedig tot een "persona non grata" in zijn omgeving.

© 2009 - 2021 Kunstkado | sitemap | rss | webwinkel beginnen - powered by Mijnwebwinkel